Aanbod
Nobelstraat 1B-H
Onze panden

Nobelstraat 1B-H

Status: Gemeentelijk monument
Bouwjaar: 1870
Aangekocht: 2020
Herstel: 1994 (door de Stichting Monumentenfonds)

Nobelhuis

De lotgevallen van het pand Nobelstraat 1, tegenwoordig het Nobelhuis genaamd, zijn erg wisselvallig geweest. In (bouw)historisch opzicht is de ontwikkeling van dit pand ingewikkelder en boeiender dan van de meeste historische panden in Den Haag. De oudste geschiedenis van het Nobelhuis hangt nauw samen met de ontwikkeling van de buurhuizen Nobelstraat 3 en 5. De Haagse hofboeken vermelden vanaf 1458 de eigenaren van deze drie grote, tot aan de Juffrouw Idastraat doorlopende erven. Aannemelijk is dat de eerste bebouwing in de Nobelstraat in het begin van de 15de eeuw, en wellicht nog eerder, ontstond.

Omstreeks 1490 werd de uit een Delftse burgemeestersfamilie stammende mr Jacob Pijnssen van der Aa eigenaar van de percelen 1 en 3. Hij voegde de percelen samen en liet daarop één huis bouwen of hij liet de reeds bestaande bebouwing tot één huis verbouwen. Deze bebouwing lag net als het ook op twee percelen staande buurhuis nr. 5 – het tegenwoordige Venduehuis der Notarissen – een eind achter de rooilijn, waardoor een ruim voorerf of bassecour ontstond. Bij nr. 5 is die bassecour nog altijd aanwezig. Het huis van Pijnssen bevindt zich dus achter de eind 17de eeuwse bebouwing aan de Nobelstraat. Pijnssen vestigde zich in verband met zijn functie van advocaat-fiscaal en raadsheer in het Hof van Holland in Den Haag. Hij was tevens eigenaar van de percelen Oude Molstraat 30 en 32. Pijnssen stierf in 1520. De volgende bewoner zal zijn zoon mr Willem Pijnssen, eveneens raadsheer in het Hof van Holland, zijn geweest. Na zijn overlijden op 21 januari 1545 werd het huis bewoond door zijn dochter Geertruyd Pijnssen, gehuwd met de hofraad mr Dammas van Droogendijck, heer van Renesse, ook raadsheer in het Hof van Holland, die op 16 september 1560 overleed. Omstreeks 1568 nam de katholieke Geertruyd de wijk voor het oorlogsgeweld. Haar huis met daarin nog enig huisraad werd geconfisceerd en door de Prins van Oranje in 1573 aan zijn trouwe volgeling Philips van der Aa toegewezen. Philips bewoonde het huis tot zeker 1580, toen het vermoedelijk door hem werd teruggegeven aan de familie Van Droogendijck. Een kleindochter van Geertruyd, Margriet van der Noot, bracht het in 1607 ten huwelijk aan haar echtgenoot Diederik van Beieren van Schagen, heer van Goudriaan. Margriet overleed in 1608 in het kraambed. Pogingen van haar familie om het huis terug te krijgen, hadden geen succes. Diederik, één van de rijkste inwoners van Den Haag, bleef het huis bewonen. Hij was een vooraanstaande katholiek en zal degene zijn geweest, die omstreeks 1630 op de zolder van het huis de thans nog aanwezige schuilkerk liet inrichten. In de tijd, dat Diederik het huis bewoonde, werden verschillende verbouwingen aan de achterzijde uitgevoerd. Zo werden omstreeks 1630 een achterkamer en een keuken gebouwd. Verbeteringen en verfraaiingen vonden plaats in 1632 met het oog op het huwelijk van Diederik’s zoon Willem Anthonis met Marie de Thiennes, gravin van Rumbeeck, die uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstig was. Nog voor het huwelijk kon worden gesloten overleed in 1632 de bruidegom. In 1634 trouwde Marie met de man, die haar schoonvader had zullen worden, Diederik van Beieren van Schagen. Diederik overleed in 1658. Een zoon van Diederik uit dit tweede huwelijk, Floris Carel, kolonel in het Staatse leger, verkocht het huis in 1687 voor de som van fl. 21.500,- aan de loodgieter en huizenspeculant Thomas Guyse.

De nieuwe eigenaar, Guyse, kocht panden op. Hij splitste het grote huis in de Nobelstraat in twee delen, de huidige nrs. 1 en 3. Tevens bebouwde hij de beide percelen tot aan de rooilijn, waardoor de bassecour verdween en voor- en achterhuizen ontstonden. Al in 1688 verkocht hij nr. 3. Met Guyse’s zaken ging het echter slecht. In 1690 bleek hij verdwenen te zijn met achterlating van grote schulden. De curatoren, die benoemd werden om zijn boedel te beheren, verkochten het rechterhuis, nr. 1, dat de stal en de achteruitgang aan de Oude Molstraat behield, aan de arts Johan van Surendonck, die tevens conrector was van de Latijnse school.

In 1966 werd het pand Nobelstraat 1a-1b op de rijksmonumentenlijst geplaatst. De eigenaar ging tegen deze plaatsing in beroep, waarbij hij erop wees, dat het pand in een slechte staat verkeerde, de restauratie ervan kostbaar zou zijn en er nog slechts enkele details van de schuilkerk aanwezig waren. Hij zou er de voorkeur aan geven het pand af te breken. De Monumentenraad adviseerde het beroep ongegrond te verklaren, een advies dat door de Raad van State werd overgenomen.